!86
den Hebreeuwschen bezetene om levensgena smeekten. Doch Simson, toorn-blind, verblijdde zich in de tuchtiging zijner doodsvijanden; bleef verminken en neerslaan al wat hij tena kwam.
De geest Gods heerschte weer over hem en zijn vernielende geweldshanden. Hij wreekte met iederen mokerslag op den tandklapperenden Philistijn, Israël's smaad, Israël's terging en ontkrachting... Hij sloeg, sloeg in aanvalsstorm en razernij, overal heen ... en wondermachtig nestelde zich de verdelgende kracht weer in zijn spieren, als vergruizelde hij de Baal-Berith der Sichemieten en hun vuuroffers. Al heeter steeg in hem een goddelijke kracht, die hem als toestroomde; die weer vanuit het grondelooze in hem opsidderde. Door heel zijn lichaam ging een vreeselijke beving van macht. Nu wierd de geheimzinnige vecht-kracht weer in hem geboren, in hem, muren-verbrijze-laar en bergen-optiller. Zijn borst hijgde wijd en zijn krijgsstem klonk op onder de tuchtiging, als leeuwgebrul uit een ^donkere borstholte. Zoo haast hij zijn vingeren hief naar het hemelgewelf, of door zijn vermorzelende armen stroomde de vernielkracht van een vechtenden god. Hij groeide weer tot het geluchte, en de hitte-tinteling in zijn lichaam eindigde niet. Zijn knotsarmen bleven zwaaien, mokeren, en alles ging kreunend en splinterend teloor onder zijn daverend en verpletterend oergeweld, terwijl hij binnensmonds
zong: