i87
— En God spleet de wateren in twee deelen...
De maere van Simson's heldengevecht, de onkwetsbare vernielreus alleen en ontzachlijk, tegen een drom van gewapende Thimnietische landlieden, wekte overal huivering, bracht saamscholing en oproerigheid.
Toen Simson eindelijk, verzadigd van drift, naar zijn groote, bebloede handen staarde, begreep de Hebreeuwer eerst waar hij was en keerde bezinning terug; stilte na wraak. Hij voelde een uitputtende lamheid in zijne lendenen en een wrang verdriet martelde hem van binnen, tot schreiens toe. Toch vermande Simson zich en snel overzag hij den toestand waarin hij nu hachelijk verkeerde. Van alle hoeken, uit de onbeweeglijke aarde, klonken noodsignalen, die d'aanrukkende Philistijnen ten krijg riepen. In zichzelf hoorde Simson de stemme van Jehovah:
— Genoeg!... Genoeg, tuchtiger ... Godgewijde!... Alles op de velden, tot de olijfgaarden en wijnbergen, is verteerd door het vuur ... Genoeg ... genoeg ... ook de aangerichte slachting!... Ik zie slechts doodenzielen!...
Duizelend van uitputting en opgewondenheid, met de vretende en snijdende wanhoop-smart over Sichema's vuurdood nog in zijn huilende hart, rende Simson waggelend en bebloed den steilen