184
gij, looze mannen van Thimnath, mijn wraak over-wreken?... Waarom deze schepselen met vuur te verbranden? . •. Mijn huisvrouw, mijn eigen huisvrouw! ... Gij schondt nu mijn vleesch en bloed ... ik zal mij aan u wreken! ...
Voor dit ontzettende en wilde gericht van een reus, wiens oogen puilden van gram, deinsden zij opnieuw in afgrijzen terug en vluchtten weg. Doch Simson rende ze op de hielen na, keerde hun aangezicht tot zijn aangezicht om en brak ze nek, armen, beenen en schenkelen. Hij verminkte al wat onder zijn vuisten drong en trapte lichaam aan lichaam neêr, tusschen den vuurbrand. De Thimnieten loeiden van angst en smeekten kermend: ! | J
— Houd op reus, met uw kneuzing ... uw slachting! ... Wij... wij juist hebben u willen wreken!... Wij hebben u geholpen in uw wraak... Gij breekt ons als jonge boomen ... gij versplintert ons ... houd op!...
Maar Simson, den haatmond nijpend verwrongen, nog levend in de smartelijke ontsteltenis van het omkomen zijner huisvrouw in de vlammen, overraasde alle grenzen van menschelijke gramschap. Hij donderde opnieuw:
— Ik vermink u en schop u neêr, Thimnieten. Ik zal mij aan u wreken en aan uw gruweldaad!... Ik tuchtig u op voet, schenkel en heup. Ik sla u kreupel en lam!... Kom op, ruiters, met uw helmen en pant-cieren ... Kom op, voetknechten van de Philistijnsche