83
dooreen en eischten dat de Phiiistijnsche krijger, Sichema en haar vader, zouden verschijnen. Doch een wreede stilte bleef er dralen achter de getraliede vensteren. Toen,in teugellooze woede,pleegden de mannen van Thimnath gericht en geweld, ontstaken de cactushagen, hoog als een muur om het huis. Ook hier greep het vuur boomen, hout en olie, tot de verste wijngaarden toe en sloeg uit wolkenwalmen, vlam na vlam.
Zonder kreet of klacht te kunnen geven, verbrandden Sichema, haar ouders en de Phiiistijnsche ®pper-geleider.
Toen Simson de eigengerechtigde wraak van de zélf door onheil geslagen Phiiistijnsche landlieden vernam, en hoorde dat Sichema een stikdood in rook en vuur had gevonden, barstte zijn dolle woede opnieuw los en greep hem de geest des Heeren. Dit bulkende wraak-geweld, die moorddaad van onbesnedenen op bedriegelijke stamgenooten, bracht hem tot ontzettende drift. De tuchtiger van Dan rende de in-stoeten-bijeendringende, Thimnietische brandstichters bliksemend tegemoet en stormde ongewapend op een gillend-grommende en gierende bende in, met zijn wrekende vernielvuisten. Simson kreet in onspoed, heesch en razend, over oproerige stemmen van landlieden in het rosse duister, heen:
— Dat is laffe moord!... Kon ik zelf niet doodslaan dien Philistijnschen bluffer, die mij mijn vrouw roofde? ... Waarom dit botsende geweld? ... Moest