i8a
Toen vertelden zij malkander, eerst heimelijk, ckn luid en dreigend, dat Simson's vrouw hem door een Philistijnschen bruiloftsgast was afgeroofd. Zij hoorden in misnoegen, dat Sichema, Simson's eigene wijf, hem arglistig had misleid en laag bedrogen door het raadsel-verraad, en dat daarna zij, — met den woedenden smartkreet van den Daniet nog in d'ooren, — den ronkenden stamgenoot, den opperbruidsgeleider tot echtgenoot te kiezen kwam. Zij wisten niet dat Simson, de Hebreeuwer, zoo hoonend door eigen-volk-van-Dagon was gekrenkt. Hun eerste jammer en verbijstering over het verwoesten van heel hun tarweoogst, hun runderen en vee, sloeg over in wraakzucht op de veroorzakers van al hun ellende en gruwzaam onheil. Tezaam stonden de landbouwers gedromd, al meer, in den nachtelijken vuurgloed, met hooivorken, kromme cikkelen en scherpe pieken. Nu, in ophitsende bezetenheid begeerden zij zichzelf zinneloos te wreken op verraderlijke Sichema, op haar snoevenden bruidsjonker-gemaal en op den arglistigen vader, met zijne magen. Zij wilden Simson, den schrikkelij-ken, toch edelmoedigen held, een Goliath, bewijzen dat zij onschuldig waren aan de vreeselijke eerkrenking van zijn huwelijks-recht; aan de lage vrouw-rooverij. En heel het gemeene volk trok op naar Sichema's woon achter de cactushagen. Het trok op naar den Philistijnschen grootspreker en naar den be-driegelijken Thimniet, die Simson zoo tartend hadden gehoond. De landlieden brulden, gilden en krijschten