i8i
rookwolken bleven de eindelooze akkeren overwalmen en vuur woei door de nacht-duisternis, doorspookt van aarde-schaduwen: een boom-silhouet, een schuur-schim... een bergenrug. Als donkere duivelen sprongen d'akkerbouwers radeloos-in-wanhoop te-zaam naar de afbrandende velden. Maar de vreeselijke ramp was niet meer te stuiten. Heel de tarweoogst lag uitgeschroeid, door den kortstondigen, dollen jakhalzen-ren. De verkoolde, in doodskramp verschrompelde beestenlijken hoopten bijeên tusschen veraschte schooven, op de smeulende aarde, onder half-gesmoorde hars-en pekfakkelen. Van verre, achter weggeblakerde hagen en zwart-gedampte olijven, hoorden de mannen van Thimnath een geweldigen, gierenden lach gelijk een stormgeloei; den wrekerslach van Simson.
Met gekromde hooivorken, zware houweelen, bliksemende cikkels, prikkels en pieken dromden benden op benden tezaam, maar toen zij al dreigender den Naziraeër hoorden en de verschrikkings-macht van zijn donderende stem, als richter en uitdager; toen zij, al meer en meer naderend, zijn reuzengestalte in bloedrooden rok zagen opduiken en zijn haren fladderen bij vlam, aschwaaisel en vuur, toen deinsden de mannen af, in gillende ontstelling en reutelend van angst♦ En zij mompelden, onder geklaag en geween, en vroegen schuw:
— Waarom liet de Naziraeër het vuur door onze graanhalmen loopen? ...