i8o
het blakerende vleesch van rug en buik afscheurden.
Over de duistere velden en akkeren kropen geheimzinnig de ruischende hars-fakkelen op als een dansend goudrood vuur dat her en der versprong en al de volle aren, en al de schooven, en al most en loof van berg en heuvel in vlam greep. Over de schuren en dorsch-vloeren kronkelden de waai-tongen en knetterend vonkenlicht wentelde mee en schoot weg onder het martelgehuil der dieren.
Simson aanzag den al felleren brand die aangroeide in de duisternis; aanzag het uiteenstuivend en voort-schuivend vuur, dat Thimnatha met zware, smorige warrelwolken oranje rook omnevelde, en zijn hart hamerde en zijn haat verdoofde en bedwelmde heel zijn wildaardige, verbijsterde wezen.
Al het in schuren veelmaal geoogste, knetterde droog op en ontlaaide onder een helschen nachtgloed. Na kwartieren kroop de wervelwind van vlammen tot de wijnstokken op, tot de zware ranken en de dichte olijfgaarden. Simson bleef uitstaren als een bezetene, naar den groeien den brand en brulde al wilder zijn uitdagingen uit, tegelijk met het loeiende ruischen van het vuur.
V
Maaiers en al ander landsvolk van Thimnatha ontwaakten in hevigen schrik. Ontzachlijke, beschenen