79
laaiende schijnsel overgloeide den nacht en Simson's geweldige handen schenen goddeloos, alleen van vuur en schaduw• Hij lachte, Simson, wreed-luid. Hij keek met harde, zwartgouden oogen, als in een booze betoovering naar de dampig-befloerste velden en druivengaarden van de doodelijke krenkers en stom-krachtige erfvijanden zijner volksgenooten. Telkens twee aan twee, wrong hij de schril-blaffende jakhalzen tezaam, terwijl de dieren sidderden en beefden onder zulk een genadeloozen greep van muitende menschenhanden, die met éénen slag, kaken en bijt-bekken verbrijzelden.
En weer stootte Simson de ontstoken hars- en vlasfakkelen tusschen de bijeen-gewrongen staarten van nieuwe paren, en onder waanzinnige lachwoede en knetterend gedruisch, joeg hij de dol-gefolterde beesten d'eindelooze koornlanden in. Twee aan twee, telkens twee aan twee, en Simson's wild vreugde-lachen klonk als wraak-gehuil, jammerender, ijselijker dan het schreilachen der brandende jakhalzen die de vlammen tusschen hunne gekrulde steerten probeerden te dooven, door een dol omspringen en omduikelen hunner geroosterde lichamen, midden in het stroo-droge, staande gewas en dwars over d'opgestelde schooven tarwe en gerst. Maar al woester en zinne-loozer gierde de wraakbelevende Hebreeuwsche reus; daagde hij uit de mannen van Canaan en Philistaea, en al gruwzamer huilden de dieren, die soms tegen elkaar introkken en rauw elkaar