178
Op éénen nacht ving Simson met zijn donkere reuzenhanden, driehonderd jakhalzen en drong ze, onder schor en schei-scheurend gekef en gehuil, in een labyrinth-diepe spelonk tezaam, waarvóór hij met zonneheldmachtige kracht van zijn armen, breed als cedertakken, een ontzachlijken rotssteen kantelde. Toen bond hij de woeste, roodoogige, droeve jankers met bamboes en onbreekbare stengelen, en daalde af, met wrang binnenste, naar Dan en het lage, duinzan-dige Westen.
Simson's oogen brandden als vuur; de overmoedige wraak was zegenend gerijpt in zijn gepijnigd brein. Ook nu weer zou hij vechten tegen de Philistijnen, geheel alleen. Geen verdelgende hulp van Daniet of wraakgierigen Judaeër begeerde hij. Ook nu weer zou hij straffen en richten met zijn eenzame daden. Hij wilde geen bijstand van schepselen op wie de gekrenk-ten zich boosaardiglijk konden wreken. In Thimnatha, vlak bij de arenrijpe koornakkeren, de akkeren van tarwe, gerst en vlas, vlak nabij bloeiranken met jonge druiven en olijvengaarden, zou de Naziraeër in de avondduisternis zijn gericht volbrengen, met verachtelijke dieren. Van verre hoorde Simson de roode runderen loeien. Telkens keerde hij, twee aan twee, de jammerende jakhalzen met de opgezwollen staarten naar malkander toe en snoerde ze vast. Tusschen de saamgeknoopte kronkels van velharen, plantte Simson een zware, brandende hars-flambouw in, die , hij rauwelijk ontstak onder knetterend gedruisch. Het