177
den avondwind over de oneindige leegte. Weer drong hem een schreien naar de oogen; een smeeklijk verlangen naar haar, door wie hij, God's beschermeling, zoo was gehoond!
IV
Vroeg lichtte de morgen over het steile gebergte en stout ontworstelde Simson zich aan zijn nachtelijke zielebenauwenis, in deze verzonkene waereld van zwarte en krijterige steenrotsen, waarop zon nu blakerde, hel en oogen-pijnigend.
Hij moest onbedwelmd wreker zijn, en geen vrouw in verteedering-van-gedachte ontzien, een schepsel dat hem zoo tartend krenkte en belaagde en zoo wreed hunkerde naar de geeselslagen van haar genooten.
Het goud van den ochtend ontnevelde zich terras achter terras van het chaotische gebergte en de dauw leek één sproeiing van kristalvuur over diepe valleien. Het heelal lag boven hem uitgestrekt in eindeloos blauw, al blauw. Dat matelooze zou hij nu tegemoet rennen. De stilte kreeg in den morgen alom stem, van eenzame vogelen en watergeruisch. De lagere en hoo-gere rotsenruimte wierd violet licht en trillend van wasemingen; de woestijnen ontnevelden als een oneindigheid van zand en gele heuvelen, en Simson's angstdroomen losten op in zonneglans. En hij zamelde vrome vreugde in zijn hart voor den zoeten Hoeder.