176
sidderingen, en verwrong al zijn eerlijke wanhoops-woorden. Maar dan plots zag hij in de aanvlerkende duisternis, het mom van den bruidsgeleider en Siche-ma, zijn vrouw met de lokkende sterrenoogen, en op zijn bevende lippen lekten tranen, zout-scherp. Zijn donkere reuzenhanden grepen naar de rotstichels, om te verbrijzelen. Het wrong en worstelde toornig in zijn zinnelijk binnenste, van jaloersche pijn. Hij duizelde! Vleermuizen suisden hem in het vergramde gelaat. Een wreed bijgeloof kwam zijn gekwelde ziel in onrust en angst teisteren. Vleermuis ... die blind tegen zijn oogen fladderde, beteekende smaad en ondergang ... Zijn hart weende verborgen om haar die hij liefhad, en toch wilde hij zich onder deze smartelijke hunkering uitwringen. Nu school hij klachtloos weg in een on-genaaklijke kloof, zwart uitgebrokkeld van vuursteen, waar een horde hongrige jakhalzen saamdrong en als vreemde, schichtige schaduwen rond hem heeneslo-pen. Groote, groenzwarte vogels zweefden in kringen, — terwijl hun slagwieken zijn aangezicht naakten, — neer op hun nesten en de stilte groeide, majestueus en dreigend, achter hun eenzame krijschen aén dat verstierf in echo na echo... In de duisterende lucht ontwarde zich het nachtelijk bergengeheim. Het rot-senzwijgen en de dreigende onbeweeglijkheid rondom, schenen Simson plots te verlammen en schrik aan te jagen. Nu de begeerde stilte-eenzaamheid zoo dicht en onheilspellend naderde, huiverde hij ervan terug. Uit het cypressenbosch woei een angstig gesuis van