175
De schrikkelijke, murmelende engel der stilte wurgde Simson; bracht een dreigende stikking en beklemming zijn wezen in. De geweldige bergen stampten hem, lichaamsreus, klein en stootten den mensch al lager en dieper, de vulcanische aarde in.
III
Weer op andere dagen klauterde Simson hooger op, boven de verpletterende steenen omknelling van blokken uit, nabij Jearim. Nu zonk de zon over steilten en afgronden, over valleien en hachelijke paden, en de chaos van steenrots en gebergte leek één tooverij van gouden bruggen, zwevend in den hemel, saSm-geschakeld-opgehangen in en tusschen golvende keetnen van louter gloed. Het zong in hem, heilig: in zulk wonderlicht aanschouwde Mozes, achter het brandende doornbosch, het aangezicht Gods. Simson huiverde ... Huilde hier het zachte kermen van den wind of jammerden in het hyena-ravijn, de wolven en de jakhalzen uit de verte? ...
O de nachten, de duistere nachten die naderen gingen en de eenzame bergen die phantoomachtig schenen te groeien tegen de lucht, tot menschenge-daanten en dierengestalten. En de paden die al grilliger in het schemerdonker opkronkelden tegen de nalich-tende hoogten!... Simson voelde zich trappen op puin en steen, en wankel gaan als onder een woestijnstormwind. De avond-stilte bracht ontzetting, angst,