174
uit te klauteren, om de woestijnen beneden hem, met haar blindend-gele zandheuvelen, als met zijn oogen te overzwerven. Dan overzag hij van het Amorieten-gebergte af, het sprookjesachtige Westen, zilverig-licht, den Grooten Oceaan, tot het Oosten, tot Jericho, tot de verste schitteringen der zwartblauwe DooJe Zee. Hier overzag hij het stille land der Amorieten, het land van Gilead en Bazan, de landspalen van Gad, Ruben en Manasse, tot Naphoth-Dor. Tegen het schemeruur begon het Judaea-gebergte vreemd en grillig, in rood-grauwen nevel te spoken en dan vroeg de Naziraeër zich af, onder een brandend-jaloersch lijden: was zijn wraak dan toch een zondige gedachte? Hoe,... Jehovah had hem, als verdelger, als wreker en uitroeier uitverkoren? ... Moest hij deze mistdonkerte vreezen en zijn zengende smart om Sichema's verraad, als ontzindheid van zijn eigen gekrenkt Ik beschouwen? ...
Achter een groep ruischelende cypressen zonk voor hem uit een oneindige vaalte en verte. Onder de vlammige bergen van Moab hingen de heuvelen als in een violet-blauwen damp, tegen de gouden luchten. Maar hier, nabij de enge ravijnspleet van het diepe Dal der Doodsschaduwen, waarvan de doorgang nog smaller scheen saam te krimpen onder het rosse avonddonkeren en de hooge rotsmuren nog steiler naar elkaar toe schenen te krommen, wierd alles zwartgebrand, geel en een kalkerige baaierd. Had Jehovah hem geheel verlaten?