173
getuchtigd. Hier nuttigde hij slechts wilden honing; zoog hij polei ofzoetgeurige kruiden. Zijn dorst leschte Simson met klaar water uit verborgen bronnen tus-schen de bergspleten. Juist in die eenzame woestenij kon alleen vergeldings-wraak ontkiemen in zijn wrekers-hart. Hier hoorde Simson, op de grillige kronkelpaden en uit ravijnen-diepte, de jakhalzen en hyena's 'snachts jammerend lachen en schreien. In het Dal der Doodsschaduwen, waar een geheimzinnig groen duister op de stilte insliep, vertoefde hij het liefst tusschen de verontruste dieren. Want zooals de hongerige roofbeesten loerden op prooi en deze besprongen onder jubelkreet of kermend gesteên,... zoo huilde en lachte ook zijn eigen gekrenkt hart. Zijn haat tegen de onbesnedenen vloekte en raasde; zijn stem gromde tusschen de eng naar elkaar toehangende rotsmuren van de nauwe spleet, waar het groene dwaalvuur lokte in den nacht; vreemd, grillig dwaallicht dat als een spook-spoor opschitterde, plots uitbluschte en dan, na een paar tellen, weer opdook en snel begon te wandelen door het duister-diepe dal.
Simson's onschuldige hart ronkte. Hij bad:
— Hoe ze te treffen, de schenners! O Heer der Heirscharen... oneindig is uw ongemeten almacht!...
De Daniet mijmerde, terwijl de vormgedrochtelijke berggevaarten en de steile pieken hem omsloten en brandende zonneblakering de huid inbeet.
Maar dan ineen verlangde Simson boven de spitsen
Simson. 12