172
verscheen ook hier, in de onheils-dreiging der schrik-lijk zwarte en witte rotsen.
Simson huilde van woede en door zijn inwendige roerigheid verscheurd, beklom hij al steiler kruinen; drong hij al angstaanjagender spelonken en steenachtige kloven in, zoodat gieren en adelaars in de dwaal-duisternis ontstelden.
Wat wou hij eigenlijk? Wat zocht hij in dit uitgemoorde oord, dat bij het vallen van den zwaren avonddauw, als een donker wrochtsel van booze geesten, met zijn grillige rotsgestalten den meest gigantischen mensch deed sidderen? Wou hij waarheid die in hem brandde? Simson wist het zelf niet. Hij moést van loodrecht-stijgende wanden, schemer-diepe afgronden kunnen instaren. Hij verlangde naar de lokkende gevaren, naar het verpletterend onheil, naar het smartelijk zwijgen en de visioenen van dit doolhofachtig-zwarte gebergte in den donkerenden avond.
II
Bij zengende middaghitte sloop Simson hol of spelonk in, waar kelderachtige aarde-koelte een vochtige kilte spreidde. Hier zonk de vrome stilte van Sinai uit; wist de Naziraeër zich in zijn wraakgedachte veilig tegen het opschuimende gewoel der menschen-waereld. Hier, of in de steenrotsen van Etham school Simson altijd weg, wanneer hij de Philistijnen, offeraars van Ammon of Moab, met veel geruchts had