i7i
Wreken, zich wreken op de Philistijnsche schennis en op haar, op Sichema! Zich wreken op Baal Perazim en op de gekrenkte helden van Israël. Alleen dit tijgerwoeste haat-instinct joeg Simson, in ongesmoorde drift, naar het spellende woord van den aartsvader Jacob:
— Dan zal zijn als een slang aan den weg... Dan zal de pezen der vijandelijke paarden stukbijten —
Alleen het woest-eenzame verschrikkings-oord in scheemring, met zijn angstige rots-donkeringen, terwijl in de verte de avondwolven huilend blaften, bracht even rust in Simson, na het gebed. Maar den volgenden morgen alweer, kwelde hem de verdelgingsgedachte; zwierf hij van noord naar zuid, als een uitgehongerd dier, vreesloos voor roovers-overval; drong hij tot in het ingewand van stikdonkere spelonken, zwavelgele holen, krochten en spleten door. Hij rilde van het eenzaamheids-geluk dat hem hier, in dit ongenaaklijk oord, fluisterend overviel en dat zoo droomrig de stilte-harp bespeelde. Enkele grens-herders uit de valleien, tusschen bruisende stortbeken en waterputten, met hun klingelend vee, ontweek Simson, Alleen het sombere hemelgewelf moest hem blijven omvangen, oneindige verlatenheid van het afgestorven gebergte, buiten zichtbare waereld en menschen. Die verdoemde vrouw van heidensch geloof, had hem gehoond en opperbruidsgeleider's tergende tronie, met den zwaardhouw over de wang,