TWAALFDE HOOFDSTUK
I
Al twee dagen en nachten toefde Simson ongewapend, in het verstarde Judaea-gebergte. Middelerwijl zinde de Daniet op vergelding.
Gelijk een verwilderde roover beklauterde hij de grauw-geschroeide en vale kalkrotsen, en rusteloos was zijn adem onder den zwoelen hitte-wind nabij de leemkuilen. De steilste bergspitsen leken hem niet hoog en de smalste voetpaden niet hachelijk genoeg. Zijn geweldige borst snakte naar al ijlere lucht en naar den Nohar, den diep-geheimzinnigen, mystieken glans van God's troon, waar cherubs en zesvleugelige seraphim, als ééne stem samenzongen ...
Van vreeselijke steenhellingen en steilste glooiingen stapte hij af, met de roekelooze passen van een licht-zinnigen knaap, als vroeger, op zijn jeugd-zwerftochten naar het angstwekkend-woeste spelonken-oord van Engedi, waar zwarte en wilde klimgeiten zwierven en blaatten van vreugde of vrees, en grauwe schaduwen gele krijtrotsen overzweefden.