169
van God's stem. Maar ze zegenden en verhoorden hem ook, als hij handelde naar het bevel van den Eeuwige en naar eigene heilige gelofte, gelijk de Heere, Jacob te Bethel verhoorde. Want de algenadige Jehovah zag al Naziraeër's beklemmingen en benauwenissen, en Simson ontwaarde God's geopenbaarden wil in alle wonderen, in alle verschrikkingen, in al wat ontstond, in al wat verscheen en verdween in de natuur. En toch leefde Simson in geen afgodische voorwerpen-aanbidding; brandde in hem geen vereeringsdrang voor stèenen of boomen als godheden, gelijk dit geschiedde onder de heidenen. Hij leefde onbewust en instinctief, huiverend van ziel onder de geestelijke openbaringen van Jehovah. Hij verheerlijkte niet de bergen en de woestijn als het Opperwezen zelf, doch hij verheerlijkte hun Schepper, hun eeuwigen, eenigen voortbrenger. Zoo bleef hij geheimzinnig taster van het verborgene, in ontzag voor het zichtbare, doch in ontzetting voor het onzienlijke. En zoo wierd de gan-sche natuur met haar sprakeloos-makende wonderen, naar buiten gezien, een veruitwendiging van alles wat naar binnen gekeerd, in hem om verklaring smachtte. Zoo, in argeloos bewustzijn aanbad Simson den Almachtige en den Alomtegenwoordige en erkende hij, diep van ootmoed, in de schepping het opperste wezen Gods.