68
sluitender gloed van vlammen. Was hij vrij van zondegevoel, dan brachten de duisternis en zijn alleenheid op de bergen, een zalige ontroering die bijna weemoed wierd van geluk. Dan waren de ontzachlijke steile rotsgevaarten hem schoone wrochtselen van een goddelijke goedheid, en het eindeloos hemelgeheim van den nacht, over alle aarde-schepselen uitgespannen. Dan onthief de kinderlijke Simson zich aan alle beklemmingen en dreigerijen van God's schepping; leefde hij in de almachtige opstijging van haar schoonheid, eindeloos als het Oneindige zelf. Gericht na gericht wierd Simson het levensgebeuren. Hij kreeg, onder heilige grootmoedigheid en geestvervoeringen, visioenen als propheet, gezichten als richter, gezichten als kamper. God de trooster riep hem en hij verscheen ... eerst sidderend en bevend, met een blik van angst en smart. Dan riepen hem de bergen, dan de wouden, dan de afgronden, gelijk zij het de heilige vaadren hadden gedaan: Abraham op Moriah; Jacob op het gebergte Gilead; Aaron's zoon Eleazar op het gebergte Hor, waarboven de luchten dreigden met den glans van gesmolten lood. In alles was een openbaring van Jehovah, tot diep in Simson's menschenhart, het kloppen van zijn verlangen naar den Eeuwige. Zij straften hem, de bergen en de afgronden, waarlangs zwartpaarse distels groeiden; ze vervloekten hem, de bloedkleurige golven en de stormzee. Ze verlamden hem, de zengende woestijnen en de watervallen die neerdonderden met het ontstellend geweld