67
hij leefde met alles in het onmetelijke. Zoo hoog zong zijn zieners-gemoed mee, dat er geen einde kwam aan het gezang en het stille gejuich van zijn binnenste. Aarde en hemel,... hij wist niet meer van verschil ...
IV
Doch in de donkere nachten zond Elohim ook dreigende gestalten naar de vreeselijke bergen; naar de wilde steengroeven en dal-kloven en tusschen de loodrechte rotsmuren. Ze zweefden aan gelijk een ruischelend heir van daemonen en vleermuisachtige geesten, die den mensch verlamden en met doodelijke verschrikking verstomden. Maar alleen voor de boo-zen, opgezweept door scherp zonde-bewustzijn. Als hij doldriftige en verhitte daden had verricht, hoorde Simson de woeste stroomen van het gebergte met een beangstigend gedruisch razen in den nacht. Dan stelden de rotsen zich op, in het kil-koude maanlicht, zoo ijzingwekkend-dreigend en straffend van gebaar, dat hij rilde. Of bij storm in het duister, onder steenafstortingen van hoogste bergwanden, verscheen God's wraakheir van daemonen met grijze, vermolmde aangezichten als van Syrische melaatschen en schudde de aarde gelijk bij eene beving. Dan kroop Simson weg van schuld-wroeging en angstgevoel; greep hem een zwarte koorts, een siddering, die zijn heele lichaam doorbrandde als een vuur, als een al-heeter en in-