65
III
Simson zag geen steil-steenen rotsen, geen grauwe, zwarte of goudgele bergen, doch dadelijken goddelij-ken geest en wonderbestier, in het algebeuren. De schrikkelijk-schaterende of loeiende wind op de bergtoppen, was hem als een hijgend wezen; een schepsel Gods. Hij beleefde den storm, het ratelend onweer, het zonnelicht, den maneschijn, als straffende of goedgunstige openbaringen van Jehovah's scheppenden wil. Heel Simson's in aanbidding smachtend en impulsief kindergemoed dompelde zich in het geluk Zoo na God's almacht te mogen aanschouwen en God's reine lucht zoo dichtbij te mogen inademen. Zijn eigen oer-vrome ontroeringen brachten huiveringen en zoo zag de Naziraeër de heele natuur als geheimenis Gods; bergen en hoog-uitslingerende paden; uitge-schroeide woestijnen, grotkloven, spelonken en afgronden, versomberd in hun monsterachtige schrik-schaduwen. Zoo zag hij de bruisende of stil-nevelige zee, die het Oneindige onthulde of versluierde; zoo zag hij wateren, bronnen en beken, alle als openbaringen Jehovah's.
Heel de natuur tooverde in Simson een matelooze verdichting, zonder dat hij zich zelf zijne Gezichten, als verbeeldingen, bewust wierd. Want bergen-in-avondschijn waren schepselen, levende burchten in ontzachlijke rotsblokken-opstapelingen, van God's wil.