164
II
In de natuur was Simson alles adamistische geheimenis. Hij begreep van het nachtelijk gestarnte-wonder niets. Alleen doorhuiverde hem mysterieuze eerbied voor God's eeuwigheid. Voor het zonnevuur sidderde zijn gansche kinderlijk-ontroerde, toch apocalyptische wezen. Het zonnevuur was uit den Schepper, in heel zijn pijnigenden gloed. Ook de maan, de Meleget-Rasganajiem, bleef hem een raadselachtige dwaalkrans van licht, die dan klaar en tooverachtig den nacht overscheen als een bleeke hemellamp en dan achter donkere schaduwen zich zedig verdook. Voor het overwemelende starrengetal duizelde Simson terug als voor een wonder dat zijn brein benauwde en zijn ziel beklemde. Hij zag alleen, in een eindeloos avondblauw-azuur, het fonkelen van engelen-vleugelen boven een duisternisse van ongehouwen, woesten steen; boven rotswanden, afgronden, valleien en woestijnen, en hij hoorde van de kruinen, bazuinen zich verheffen over alle haters van Israël...
Simson, in zijn woedende, gierende wraakziel, kwam tusschen aarde en hemelen, en de wisselende glanzen van dageraad en schemer, tot ontworteling van wreede driften of tot nog heviger bewustwording van zijn goddelijke vergeldings-roeping.