163
God's schepping overweldigde Simson, den dienaar Jehovah's, altijd opnieuw. In argelooze verbazing bestaarde hij haar geheimenissen en haar soms ontastbare vormen. Hij reus, voelde zich allernietigst verzinken in haar almacht, onder dreigende of lokkende oneindigheid. In het loodrecht-omhoog-rijzende en ijzingwekkend-sombere Judaea-gebergte, tusschen vuursteenen rotsen, in holen, kalk-kloven, onder verbrokkelde ringmuren en in grafkelderen, herleefden zijn jeugdelijke zwerftochten. Hier, in Judaea, ademde Simson in angstige verzuchting, in allerheiligst ontzag, alleen, geheel menschelijk alléén, onder goddelijke openbaringen van den hemel, waar Jehovah troonde. Hier, in de starende stilte, overdroomde hij de woestijnen van Thekoa, vanEngedi, Zif en Jericho. Op de hoogste toppen zag hij tot het gebergte van Bethel, tot ver over de landspalen van Ephraïm. Hier waagde hij zijn leven, zonder schrik en berouw, op duizelingwekkende spitsen, om duizend en duizend voeten uit te klimmen boven geweldige rotsblokken-massa's en boven eindelooze steppen; om te ademen in ijlte, in glinsterende nevelen.
's Nachts vooral toefde hij hier. Juist dan voelde Simson de schrikkelijke heerlijkheid van al de onzichtbare machten die zijn Schepper over kalkbergen en wateren, tusschen hemel en aarde liet rondgaan; gelijk de heilige Mozes had doorleefd op Sinaï's top.