i6o
halfuitgestamelde angstzinnen en beverige verontschuldigingen. Zijn roodachtig-bleek-doorschenen, vochtige oogen knipperden van afgrijzen voor den wonderbaarlijken Hebreeuwer. Zijn van angst ontzet gelaat leek ingewreven met het merg van gestreepte distelen. Hij stotterde verward:
— Toch is er, Daniet, nu, in den oogsttijd... een ... een ... oplossing ... tweederleie zelfs ...
De Thimniet ademde traag en gluurde schuin-op, in verheimelijkte benauwdheid, naar den geweldigen man die voor zijn aangezicht ten hemel opklom.
— Sichema's zuster is er ... voor uw lusten .., o zonneheld... Zij leeft in schrikachtige schaamte voor u ... en zonder kwalen ... Als geurige zalf is haar adem ...
De Thimniet struikelde over zijn eigen woorden:
— Ook, man van Dan... wacht... ik zei u... zij is beter, veel beter huisvrouw dan Sichema, die niets dan linzegerechten u bereidde ... En zei ik het niet al... zij zingt mooier ...
Simson hief de handen in smeekgebaar en verwrong ze tot dreigvuisten. Zwart zweet brak zijn poriën uit, en hij kreunde gesmoord . ♦.
— O, o, bij den levenden God van Israël,... dat is een gruwel!...
Zijn schoonvader vleide blind-zelfzuchtig in zwee-tende benauwenis door:
— Zij is veel mooier nog dan Sichema, man uit