159
vreemdelingen ... en dat gij nooit... nooit meer haar oogen wilde kussen ...
— Zwijg!
Simson brulde van woede en Sichema's vader sidderde als voor een donderwolk die boven zijn hoofd losbarstte. Hij zag Naziraeër's gelaat grauw-wit afgemarteld van smart en gram, en hij beefde voor dezen stormigen menschengeest.
Naziraeër's reuzengestalte schokte. Bij de heilige Aartsvaderen, bij den Heer aller werelden,... dit was te veel! Voor de tweede maal nu verscheurd ... voor de tweede maal verraden en versmaad door dezelfde vrouw!...
Een duizelende razernij overrompelde heel Simson's hijgende en geweldige wezen. Zijn zwartglanzende leeuwenlokken schenen rechtovereind op te steken als een duister haarwoud. Een kreun-gekerm ontsteeg zijn ontzachlijken gorgel en borst, dat plots verklonk als loeiend geblaas op sjophars. Zijn handen in kramp, al donkerder en schrikkelijker krompen saam en grepen naar zijn granaatsnoer dat rood bloedde als koraal om zijn hals. Simson voelde nu, steengevaarten, bergen te kunnen verbrokkelen tot kluiten aarde. In zijn oogen vlamde een bovenmenschelijk woedelicht. Het was hem of Jehovah's worgengel zijn keel omklemde. Ja, er zou eeuwige haat bliksemen tusschen Philistijnen en Israël.
Simson's vreesachtige schoonvader bezwatelde Na-zir's ooren nog met velerlei verschrikte woorden,