58
bruidsjonker als vrouw had geschonken, nadat Simson van Sichema in wilde vertoorndheid was weggerend. Simson, groothartig, geloofde dat zij hem trouw zou zijn gebleven. Want zij heette toch zijn onbezoedelde huisvrouw, zijn gebaden en gezalfde, alleene bruidsvrouw, Hebreeuwsche vrouw van hem, tot in het geslacht der kleinkinderen... Daarom keek hij angstig-voorvoelend en verwachtend, zoo argeloos-verlangend weer naar het venster, nabij de cactushaag waar hij Sichema het eerst had gezien, verblindend in een glinsterend, zout-wit kleed met een gouden lichtkam in de lokken, en achter haar, rietbosschen en lente-heuvelen met openbloeiende anemoonkelken, loutere purperzee van licht en glans, eindeloos.
Doch alleen Sichema's vader, in mouwwijd, blauwwollen hemd, trad hem ontsteld, gejaagd, overmoedig-grimmig tegemoet, de bevende vuisten den zilveren gordel ingewrongen, Simson norsch-bevreesd van het gebeurde vertellend.
— Wij allen dachten ...
De Naziraeër hief de handen, donker en schrikkelijk alsof hij bloed sprenkelde bij een zoenoffer. Hij kreunde en het klonk gelijk gesmoord noodgeschrei, ontzettend van smart en wanhoop. Sichema's vader verschrompelde voor zijn aangezicht. Een schuwe vrouw, achter de poort, reikte hem verdekt schild en zwaard. In angst en verwarring klonk zijn stem:
— O Hebreeuwer, held,... wij dachten ... dat gij Sichema haatte, verafschuwde als een dochter der