157
de maere door de stad en de prikkelen ontvielen aan handen van ossenhoeders. Dienstbaren en aartsvaderlijk-zwoegende slaven renden tezaam, geen stokslag of geeseling van opzichters meer vreezend, nu de voetstappen van den reus-beschermer zoo dreunend-dichtbij wierden gehoord.
II
De Hebreeuwer, doorweend-van-berouw, in zichzelf gekeerd, liep naar het huis van Sichema, met een zacht-blatend geitenbokje aan de hand, als geschenk en verzoeningsteeken. Simson ontwaarde ontzetting bij landslieden noch blijheid bij krijgsgevangen werkslaven, om zijn onverwachte verschijning. Hij keek alleen in smachtende verrukking uit naar haar, naar Sichema, zijn vrouw, over wie hij wel allen balsem van Gilead wilde uitstorten. Naziraeër's lange lokken golfden wild in den wind en zijn roode, gegordelde rok lichtte met speelschen bloedglans. Een melaatsche, het ram-achtige gelaat gruwelijk uitgevreten van zweren, eerst achter een balsemboom gehurkt, trad hem in den weg en mompelde iets verschrikt-onverstaanbaars van komenden zondvloed,... doch Simson hoorde geen menschenstem. Alleen het geitenbokje sprong zijwaarts. Simson zocht slechts in verbijstering tusschen de wijnranken, Sichema, die hij nog hartstochtelijk liefhad. O, geluk in zijn ziel nu hij haar weer zien ging. Hij bevroedde niet, dat zijn schoonvader Sichema den Philistijnschen opper-
Simson. 11