i5o
nog meer dan voor de tong eens orakelsprekers of voor den eerste onder hun boogschutters. Toch was de Hebreeuwer verliefd op de Thimnathsche en meer dan ooit haatte hij de onboetvaardige Philistijnen van het heuvelenland, de halve Aegyptenaren van de roode aarde, met hun bliksemende stootsperen, hun fel-flikkerende zwaarden en giftige pijlen. In Simson's ziel ziedde oproer en nog vervloekte hij in smeekgebed en onder gedenk-offeren, de nagedachtenis van Micha, den kranken beeldendienaar uit het Ephraïm-gebergte, die met zijn behekste pottenhouders, met Levieten en Danieten, ruischend geboomte goddelijk eerde; die uit borrelende bronnen, orakelstemmen opving over lotsbedeeling en leven; met olijfhout en steen soms menschelijke sprake sprak. Vreemde schroom ontstond er telkens weer in Simson, hij die zelf in een schreiende zinnenbegoocheling, de gehoornde Asthoreth heimelijk bezong, verwezen haar topaas-glanzige oogen instaarde. Niet slechts hoofsche trots wrong er in zijn begeerte, de Baai-aanbidders als eenzame Godsman-strijder te verdelgen,... hij wilde ook zijn eigen volk naar het binnenland teruggeduwd door de drukke Phoenicische handelaars in olie, balsem, hout en vlas, die slechts stoffelijken rijkdom bijeen-stapelden, — hij wilde Judaeërs, Danieten, Simeonieten, voor nadreunende wraak en verdelging vrijwaren, en ze niet onder vijandelijk oorlogsgerucht zien verdwazen van angst en benarring. Met grenzen-looze stoutmoedigheid vertrouwde de ongewapende