148
kommerd tartte; zelfs met diepademende vreugde tegemoet rende, als ging hij ter Tabernakel een jubeljaar vieren. Hij, onder goddelijke wenken, schutse van zijn stam, haatte de Philistijnen en hun schenddaden met een fel-kokenden haat; wist zich door Jehovah verkoren als bloedwreker, als Richter van al hunne verwoestende misdaden en vervolgingen, van hun heillooze krenkingen, brandroof en stroopers-gewel-denarijen tegen zijn volk uit het heilige geslacht van Abraham.
IV
Nu was hij door een daemonisch-speelsche en arglistige Philistijnsche vrouw, met veel krijgers achter zich, ruggelings belaagd; door een valsch-verraderlijk, in tooverij opgegroeid schepsel, dat onbezweerbaar-geheimzinnige woeling en macht toekende aan bloed van mensch en dier. Simson's knagend, diep-weemoe-dig en ziele-angstig verlangen naar dit verachtelijk, toch raadselachtig wezen dat zich verborg en onthulde tegelijk, dat in toorn haar schelpen-armbanden stukbeet, liet niet los. Hij, de troostelooze, beschaamd en wraakgierig dooreen, soms in vrome verwondering over alles wat hem omringde, kreunde dag en nacht in stilte, met trillende stem:
— O moeder Zelalphonith,... moeder ... moeder ... die vrouw... die vrouw van uitlandsch volk, uit Thimnath, die zoo boos-zoet glimlacht,... zie