147
heid, als jongen reeds, toen hij eenzelvig rondzwierf aan de beek Sorek of langs het somber-beklemmend Judaea-gebergte; waar hij in gevechten altijd hulp van herdermakkers uit de stamme Simeon weigerde, door een dubbel-dof signaal op de veldbazuin uit te stooten. De Naziraeër wilde ongeteugeld wraak over Jehovah's afgunstige vijanden, door eigen teisterende daden zonder één klank rouwbeklag. Ook hij zou de gekuraste Philistijnen uitroeien, de woest-huilende hooners van Mozes' wet, als onder een natuurramp, omdat in zijn strijdarmen zetelde de goddelijke vernielwoede van heel een geheiligd leger. Aartsvader Jacob, in zijn prophetie had hem als slang geroemd, wijl zijn geheimzinnige macht in zijn hoofd zat en zijn wraakzucht in zijn hart. Hij, in zijn reuzengestalte alleen, kon uiteraard niemands hulp dulden; ook niet die der naijverige Alluphim. Want het behoorde tot zijn hooge roeping: nimmer steun of hulpe te vragen tegen mensch noch dier. Al wat hij deed moest geschieden uit zijn eigen bonzend heldenhart, onder God's bezieling, zonder wikkend en wegend oorlogs-overleg met andere stammen, die op teekenen van oorkondeboeken elkaar raadpleegden of elkaar in brandend kuras en blinkend-koperen schild ontweken. Hij, met zijn schouderen als gewelven, waarop hij stadspoorten met ijzer beslag zou kunnen torsen, verachtte volksdwang, gelijk deze den krijgsoverste Jephtach wierd opgelegd. Zijn ontzettende kracht was Simson zich zoo bewust, dat hij ieder gevaar onbe