146
III
De Eeuwige had ademloos Israël in de ijzerharde macht der Philistijnen gegeven, — melaatsche zwervers die de vlakte langs de zee beheerschten en hun ijzeren strijdwagenen als ratelend onweer lieten donderen over de erfbegraafplaatsen der heilige Aartsvaderen te Hebron, — omdat Simson's woestijnvolk in weerspannigheid afgoden diende en doodzonden bedreef. Toen had Jehovah Simson aan Zoreah, de Gerichtstad, voorbestemd en den schriklijken reus onder de schaduw zijner handpalmen gezegend. Wel kon Simson leeren van al de groote Richteren, doch sedert de halfslachtige bastaardzoon en Gileadiet Jephtach, — uit een eerst heftig-veracht kruisras van Israëlieten en Canaaneërs gesproten, — d'Ammonieten had verslagen, was er niets dan menschelijke, hurkende kleinheid, minachtelijke treuzeling, gesidder en leeg-geloovige vreeze om hen heen geweest. De Richteren, door stamgemeenschap, door hoog volksbewustzijn en door Gods geest bezield, samentrappelend gelijk een ossendrift in renvaart, trokken op, vol vuur tegen alle schreeuwerige belagers en onderdrukkers, met ruwe heldhaftige mannen en vechtende geweldenaars, als tijdens den Uittocht. Het in-troepen־optrekken, — onder weemoedsverlangen en eenzaamheids-gevoel, — behaagde Simson echter nimmer. Hij juist ontplooide zijn weergalooze kracht in ongestoorde alleen