145
zijn wilde vechthorden en koen-genadelooze strijders, zoo begeerde Simson de vreemdelingen uit Peleschet, ten westen, tot het hoogheuvelige Gaza, tot aan den rand der woestijne te vernietigen, zonder bijstand van oorlogvoerende stamgenooten. Hij wilde ze als in een ramp-geval uitroeien bij hoopen, gelijk zij zelf te Ekron de giftig-groene kwelvliegen zagen gedood met enkele lip-vervloekingen van hun Drekgod Baal-Zebub. Hij begeerde deze roovers en plunderaars, die met tartende krijgsbezetting de zuiderstammen van Israël en geheel Judaea en zijn jubeljaren benauwden, te verontrusten, te kwellen, op te jagen en te straffen.
Het scheen den Naziraeër niet genoeg, een groot geslacht van pronkende kinderen, — gelijk de Pirae-thonietische Richter Abdon had gekweekt, — op witte en rijk-kleurig geschabrakte ezelenveulens te laten rondrijden door steden, door beschaduwde bosschen, langs rotspaden of breede wegen naar Assy-rië of Aegypte, noch met luidruchtigheid zulk een praalbezitter te begraven op het Amalekietische gebergte, maar ook de overheerschers uit Gezar en verminkers van Israël moesten gevonnist en getuchtigd, zoodat Simson's naam ten oosten, bij en over de Jordaan, ten zuiden tot in het gebergte Seïr, onder het verwarde Edomietische heir, ten noorden onder de opstuivende Semietische Arameërs en ten westen onder de Philistijnen, al heviger ontzetting en schrik bracht.