144
golvengezang en het flikkerend-gouden licht der Groote Zee, in wulpsche vrees verheerlijkten en de maagden van Israël schennend omhelsden onder het wijnslurpen. Ook deze Richter en zijn volk, krompen in wee en klacht saam voor de brassende Askalonieten, voor hun ommuurde stad en het schitterend koper van harnas en wapentuig. Ook deze bezweek voor den verderf-invloed van godin Derceto met het geschubde en gekerfde visschenlijf dat riekte naar ajuin.
Manoach, Simson's vader, had Simson als kind reeds de oproerige woede van Israël's volk verhaald en zijn verzwagering met heidensche bijwijven,... tót hij zelf als knaap ervoer hoe bekrompen, enghartig zijn , voorganger Abdon, de Piraethoniet, zijn heldentaak van het Richterenambt bezag.
Want ook Abdon liet Philistaea, liet Azza met haar godstempelen van blinkend-wit, versch-gehouwen marmer, ongeschonden; Azza, het moerassige nest van afgoderij, waar Dagon in beeldenhallen, op zwart-glanzige aarde, Jehovah en de goddelijke wet der Hebreeuwers beschimpte. Ook hij kon Sem's nakomelingen niet meer beteugelen, noch hunne dweperijen en besmetting afweren.
Vooral in Simson's erfdeel roerden zich de gehate Cheretim, de tijgerwoeste beelden-aanbidders en tem-pel-ontwijders van het berglooze Philistaea, en zooals de wreed-wankellooze Jephtach uit Mitzpa, in het Oosten de Ammonieten nabij ondergrondsche holen en spelonken had verpletterd en uiteengestrooid, met