143
Al gruwelijker steeg de macht der Philistijnen, toch zélf wanvoegelijke indringers, zwervende vreemdelingen en uitmoorders van Avieten, in het Heilige Land, die nu overal van God's volk, de onderworpenen, eerbetoon en voetwasschingen eischten. De vijf hoofdsteden der onbesnedenen uit Cham, praalden in ijdel-heidensche overwinnaars-glorie. De Ekronieten met snuivende neusgaten, snoefden onstuimiglijk op hun Baal-Zebub en zijn afzichtelijke tronie van verdelger, die met onverstaanbaar gemurmel van zijn blauwe lippen lands-vijanden deed sterven. Ekron schuimde van haat, met opgeheven handen, tegen het wankelende herdersvolk, dat vroeger zoo stout en onwrikkelijk op de bergen streed en oorlog voerde met groot geraas. De Ekronieten vooral schuimden van haat tegen de Judaeërs; Ekron als zuidelijkste grensvesting, eens van dezen stam een stad ... De donker-gewenkbrauwde mannen uit Gath,Gath derPhilistijn-sche hovelingen, met zalf en welriekende olie opgesmukt, waanden zich godlasterend nog Enakieten, in rebellisch geweld en krijgsgedruisch; bleven geeselende zeeroovers van Metheg-Amna, Beth-Cherem, oord van wit-wollige lammeren, tot naar den kant van Aegypte. Ook van den met overpriesters heulenden Zebuloniet Elon ging geen Richteren-kracht uit, al schonk hij met de tong, Jehovah eeuwige trouw. Hij bukte needrig en kreupel voor de stroopende dieven langs de kust. Hij boog voor de Aschdodieters, die Dagon, Beth-Astharoth en Baal-Zebuchim nabij het