142
dat ook den argeloozen landarbeid der Hebreeuwers als buit meesleepte en hun heiige hoogtijden baldadig-lijk met wreed geweld schond.
II
De heldhaftige Richteren-gestalte van Jephtach, de lichtende boog van zijn roemrijken naam, was weer uitgewischt voor de gemoeds-harde kinderen Jehovah, die in levensgevaar rondzwierven tot ver voorbij den Stroom, waar zij onder het aanzicht van Syrische goden, goden van Tsidon en Moab, beeldendienst bedreven en in de steeneikvalleien zich zwaar bezondigden tot het ingewand. De stammen Israëls beoorloogden en verdelgden elkaar opnieuw in woesten, wraakzuchtigen naijver, gelijk tijdens Jephtach en Ephraïmieten, de Gileadieten. Uit Bethlehem kwam van den opademenden Richter Ibzam veel lankmoedigheid, doch luttele werkzaamheid. Hij richtte traag, met heel zwakke stem en met het ontglansde Jehovah-woord, hoererijen en spitsbroederen, geruisch van voorhoofdcierselen, wulpsch geklank van armbanden, bellekens en heimelijk gelok van zwarte sluiers. Hij richtte overspel en zinnenzonde, al beefde hij voor Israël's afval, voor zijn wreede verharding en onverworpen bijgeloof. Steeds morrender begromde het uitverkoren volk den naam van den Eenigen God en al dreigender t'allenkant, ten westen en beoosten de Jordaan, drongen vernietigers en overwinnaars op.