NEGENDE HOOFDSTUK
I
Zelalphonith, de wetsgetrouwe, altijd levende in vreeze voor Israël's God en de heilige geboden, zag de verkropt-stille smart, de troostelooze zelfverlorenheid van haar kinderlijken zoon en schreide, zonder beklag, in stilte mee, de heilige Aartsvaderen zegen afbiddend voor haar kind dat zoo beklemd onder de heidenen ademde. Onaangeroerd liet Simson de afgekoelde spijzen van het sobere avondmaal: geiten-vleesch, rijst en in asch gebakken broodkoeken, op d'aarde uitgestald. Zijn schoon gelaat, vermagerd en droef, teerde weg. Ook Manoach benauwde Simson's verzinking in hulpeloos verdriet en hartzeer.
In het ouderhuis was pas geslacht, doch de Naziraeër, met kruiselingsche beenen op den grond gezeten, staarde droomrig, vervreemd van alle vreugde, naar het pad tusschen de koornakkers en naar lammeren-kudden op de groene wei. Manoach, die vóór hij den disch opdiende, klompen honingdeeg ruw in een houten trog mikte, over de hooge melkpotten heen, vroeg