140
zich korzelig af: was dat zijn dreigend-heldhaftige zoon, die — schoon als Gods-tuchteling opgegroeid, — vroeger zoo levensdartel kon spotten en uittartend krijgsliederen waagde te zingen; die zoo geluk-stralend, in wilden overmoed, uitgelaten en kinderlijk-vroolijk kon stoeien en zoo bijtend-sarcastisch met het vlijmscherpe woord de afgodische vijanden te hekelen en te wonden wist? Was deze schuwe, angstig-machte-looze peinzer met de uitgebluschte, zwijgende oogen, deze zwartgallig-ingezonkene,... Simson, de wrekende geweldenaar, de wurgende reus van Dan, die in tintelenden overvloed van lusten en levenskrachten, allerlei stouthartige avonturen tegemoet-rende, dol-woeste streken uithaalde en zijn gistenden geest vol durf en plaagzucht, liet schuimen van onbeperkte vreugde en boert? Hij staarde naar de wei alsof zijn ziele uitging. Manoach bleef, ook onder het proeven van den gekruiden appelenwijn, telkens weer zijn verdroef den zoon ontdaan bekijken. Zacht, in bedwongen rhythmus, zong zijn ontstelde stem bij het eindigen van het maal, Hebreeuwsche dankgebeden; herdacht hij Jehovah en Abraham, den Vader der menigte. .Manoach ontsnapten kern en zin van dit vrome, toch zoo zwaarmoedige en soms verbitterde karakter. Hij wiesch zijn bevende handen en zweeg, in groote benauwdheid van hart.
Simson, sojnber de brauwen saamgetrokken, staarde .zonder te zien, als in een droom. Hij hunkerde naar ־Sichema, naar haar lichtzinnige fonkeloogen, naar