38
kan... ik kan haar niet vergeten, o Heer!... Hoe zal ik deze bloesemende vrouw, in haar zwaanwitte zonne-schijn-kleed ooit vergeten?... O eeuwige Heer, waarom minde ik haar, de schalke, deze verraadster, die met haar lieflijke listen om mij heenfladderde als een witte vlinder rond een honingkelk? ... Dat toch mijn manbaarheid verga!... Is dit mijn innerlijk lot? Gesmaad wierd ik door spot van Mitzraïm-afstamme-lingen; door Philistijnsche krijgers en door Sichema, door mijn vrouw met haar amberen huid, haar bedwelmende osgen en haar wreede bekoringen. O Heer, kom mijn oproerige, mijn brandende ziel te hulp met een genade-daad. O Heer, ik onthoud mij van alle onrein voedsel, van wijn, en ga ongeschoeid van Zo-reah tot Azza ... O Heer, Heer, Aleeuwige, Uw woord wil ik vernemen!... Red mijn arm-krijtend en wee-nend menschenhart. Red mij van Sichema's heugenis, van haar liefelijk en dweepend aangezicht... red mij van haar die mij bedroog en misleidde, en mij een geheim ontlokte dat ik zelfs mijn ouders niet toevertrouwde! ... Want ik dorst naar haar als het heete gras naar den koelenden morgendauw ... O Eeuwige... laat mij rust vinden aan Uw boezem en in het zwijgende luisteren ... Verkil mij tegenover de vrouwen, als sneeuw van het gebergte Libanon!...