137
Zoreah, dertig Philistijnen verminken en dooden? Alleen omdat zij een afgezant Gods en Israël beschimpten? ... Heer, Heer ... mijn toorn was wreed en afzichtelijk wrochtsel van mijn smart, doch mijn overmachtige kracht brak door mijn spieren als vuur door een strooien muur!... Uw zielskranke knecht smeekt U om erbarming. Ik wil weer zon-van-mijn-volk zijn en vol van Uw heiligen gloed en van Uw heiligen geest, en mij vereenen met de Zegenim... Ik wil weer ademen onder de bloesemen van d'aman-delen en verteederen onder den weeken geur van bloeiende pereboomen. Ik wil weer naar alle hemelstreken, koorn hooren ruischen op berghellingen, als avond-gefluister van de zacht-klotsende zomerzee. Ik wil zijn als Gideon in zijn witten gordel van gewijd krijgsman, die de Midianieten versloeg, ontzachlijk als rots, onwankelbaar en met wil en macht als ingestampt. Ik wil weer zwerven van het achterste Westen naar het voorste Oosten, zonder verslemptheid van lichaam en schrale zinnen. Ik zal slechts droog brood en vijgen verorberen en mijn krachten zamelen, om wreker te zijn van het Hebreeuwen-land!... Maar toch, o Eeuwige, goedertieren Heer, ik heb haar adem voelen beven op mijn murw-gezengden mond; adem van haar, van Sichema, uit d'erfvijanden van mijn volk. Zij het eerst heeft de schuwe kuischheid van mijn manbaarheid ontdekt. Zij heeft mijn angstige lusten het eerst doormengeld met haar zoet-hevige, toch zoo zacht-werende meisjes-teederheid en ik