136
slagen man... U, Algoede, biecht ik alles!... Ik had mijn speelsche Sichema zoo lief, 200 lief, dat ik om haar, met afgehouwen duimen zou willen loopen achter een vijandig oorlogsheir. Ik huiverde onder het wonder harer Casluchietische oogen; onder het wiegelende gezang van haar lokkende stem, wanneer de aarde tegen den avond zoo stil wierd. Haar springende scherts en haar vleiende onderworpenheid waren mij zoo welgevallig. Ik noemde haar de bedwelmende lente van mijn hart! O Eeuwige.. ♦ wees mij dicht nabij!... Laat mij niet aan mijn liefdedrift ten gronde gaan. Zij heeft zoo bevend van overgave zich in mijn armen gewrongen en zoo droef tegen mijn borst geschreid. Zij heeft ook toén geschreid, in het uur van verraad... zware, heete tranen!... Zij was zoet en wreed en verhit als de oostenwind!... O Heer, ik ken de geheimenis, de duistere en verborgen diepte van het vrouwenhart niet, ik naakte woestijnzwerver!... Ik bleef, aan U gewijd, allen omgang met vrouwen ontberen. Ik verijzerde in mijn alvernielenden haat tegen Dagon en Baal-Zebub en tegen de heidenen van Sichem, de eters van bloed-in-vleesch. Tot Sichema mij brandde in het hart en ik granietheuvelen voor mijn angstig-verrukte oogen zag dansen. Zij speelde met mij gelijk een vlam speelt met de schaduw. O Heer,... was dan alles menschelijk bedrog, menschelijke arglist en laagheid in dit meisje? Eeuwige, eeuwige Heer,,.. waarom heeft zij mij verraden? ... Waarom moest ik, teugellooze man van