135
zangvogel zong of hij herkende zijn zwenkende of trillende stem. Heel de bedwelmende zoetheid van het lentegebeuren, het bloeien van acasia's, olijven, palmen, pompoenen en welriekende, van dauw-be-droppelde kruiden, ontstak in hem de oude, jubelende levenskracht, al schoot telkens een adering van smart om de heidensche Sichema en haar vrouw-verraad, door heel zijn overstelpte wezen heen.
II
In den avond, als de koelende westenwind van zee zijn geheimenissen ruischend te verhalen begon, hoorde Simson kameelen en hun dommelend bellen-getingel in het gespan. Hij weende van geluk en verdriet dooreen ... Op de lage kustvlakte van Sephala, tusschen rotsige heuv'len en zand, stegen de cypressen en pijnboomen zoo traag in de gouden schemerlucht, en het was alles zoo stralend en toch zoo zwaarmoedig om hem heen, nu de stille nacht naderde over d'akkers en golvende duinen. De zon doofde haar gloeiglans tot dood oranje. Van enkele scherp-gekanteelde rotsen, grillig uitgebeiteld, overstaarde Simson d'eindeloos-goudgroenen oceaan. Simson, opgekropt van wee, van een smartelijk hunkeren nu, snikte het uit en bad tot den Heer:
— O Eeuwige op den heiligen Sinaï... wees dicht bij mij... nu zoo zoet en lokkend de narcissen en leliën geuren... O Heer, ik was een gebroken en neerge-