134
alglanzige leliën ... En weer deinde in hem het heilige mijmeren over zijn roeping voor Israël en voelde Simson Jehovah's handen zegenend over zijn hoofd uitgestrekt. Hij zwierf weer tusschen klater-beken en zonne-helle meren. Leeuweriken jubelden overal in de klare lucht. Middelerwijl zag hij witte geiten en lammerkens grazen in bloemzoet-riekende velden. Op de berghellingen en tusschen kloofbeddingen, bloeiden groengrijs, rimpelend-gespleten olijven en kromden zich hun lage oude stammen tegen zuivere hemel-blauwte. Weer zag Simson de vlam van Sichema's oogen als een weerlicht wegschieten, maar droeviger erna, hoorde hij het smeeken van Zelalphonith's stem, het bevend en ontzet-aarzelend vragen van zijn moeder, nabij het steenen watervat: of hij dan niet meer rouwklager en onafkoopbaar bloedwreker van Israël en Naziraeër Gods was?... Niet meer bestormer uit Dan, van goddelijke krachten bezield? Hoorde hij nog wel bazuingeklank op het gebergte Ephraïm?
De oranje lente van de Philistijnsche kustvlakten en het zonnegeluk brachten weer vreemdheid, beklemmende verwarring in zijn ziel en een soms bange vreugde in zijn kloppende bloed. Hij rook weer den heimwee-brengenden geur van groen-getwijgde aman-delboomen en van de jonge, wasemende aarde, van het jonge, versche gras en heester-struiken, en hij wist weer dat hij Godsgerichten zou volvoeren. Tooverij van hazelaars, witte wijngaardbloesems en roode granaatbloem enving zijn droomen en geen