130
III
Nu had Sichema, verleidster, de wilde kat, hem verraden, bedrogen, overgeleverd aan zijn goddelooze vijanden en bedgeheimen, in liefde uitgefluisterd, geschonden ... Simson stond geheel verblind tegenover donkeren harte-sluipmoord. Hij wist niet, dat zulk een liefde-verraad kón uitbroeien. Was een vrouwenziel dan zoo helsch gespitst in snerpende berekening en arglisten? ... Hij hoorde weer klingelen de gouden bokkelen en bellen van den bruiloftsgordel, op Siche-ma's zacht-hijgende borsten. Hij ademde weer dennengeur achter de wijngaarden te Thimnatha. O, wat wist hij, woestijnzwerver, van sluwe, zieke sluiplusten eener liefdedronkene vrouw? Hij vloekte in gram, die geschuwde, heel haar wezen, haar gaan en haar staan. Zij, die vrouw had hem verraden en aan de wreed-vurige Philistijnsche stamgenooten overgeleverd.
In een somberen onrust-angst voorvoelde Simson vaag, dat lokvrouwen altijd weer zijn ondergang zouden worden. Hij wist zelf niet wat vreeselijks er met hem gebeuren ging. Moest hij vluchten naar Judaea's steenrotsen? Zonder erbarmen en meelij zou hij als een vermolmde boomwortel worden vertrapt. Hij zou uitdrogen als een beek in moordende zonnehitte en eigen vernietiging tegemoet rennen. De liefdevrouw zou hem in listen en vleierijen begoochelen en telkens weer zou hij, in onbegrip en zorgeloosheid, sterflijk en blind tegenover haar staan. Want zijn overdolle