137
geurde als het zoet van cyprus en narcis. Plots schroeiden begeerte en drift zijn keel dicht; doorschokte hem een noodlotsdreiging. Hij stikte half. O, het aanstekelijke vuur van die oogen ... een bliksemlicht! En wég was zijn menschenschuwe rust van Naziraeër. Hij leefde op stille avonden alleen in kwellingen en verwarringen. De donkere Philistijnsche, de schoonste van haar geslacht, de wellustige en toch bang-hunke-rende oogen van de Philistijnsche, met den glans van vuurvliegen erin, zag hij overal. De bergen, de zee, de steenvelden, de zaailanden, de heuvelen, de woestijn, de wouden, de gestemde hemel,... en dit dartele, lenige meisje Sichema ... zij ... eeuwig zij!... Zij tokkelde de guitaar achter een kortstammi-ge, zwaargetakte cactushaag in gelen bloemenbloei, terwijl d'avondschemer aansloop en de zon zonk aan de kim als een papaver, hei-rood. Haar teere, smalle handen trokken zachte zweefgebaren in het zoele halfduister over het trillende, zuchtende instrument. En zij had hem aangezien, zoo lang, zoo huiverend-Zoet, dat hij onder alderlei verdwazingen dacht te sterven van geluk en vermurwing. Hoe verleidelijk-schuw en brandend-haastig had zij haar sluier open neergeworpen. Ach, wat wist hij instinctieve, in gedurige verwondering over alle gebeuren, van de loklisten eener vrouw? Was zulk een wezen zacht als de lente of heet als de zomer? Haar met zwartsel omkranste oogen schenen vochtig goud uit te stralen. En zij leek in een teedere schaamte weg te sluipen