125
Thabor-kruin, nabij de heilige palmen, ontzachlijk van stam- en wortelen-uitgroei, in de violet-grauwe kloven en tusschen de woeste, stille, donkere steeneiken had zij gebeden, bedreigd door Ammonieten en Midia-nieten die op hooge, rosse kameelen kwamen instormen.
II
Alleen in de lente, dan wierd het een angstige levensvreugde en draaikolkende tweespalt in Simson's heroïsch hart; wanneer ploegkouters en zeisen, bij iedere wending en elk handgebaar van zaaien en maaien, flikkeringen als bliksems uitschoten over het land. O, de lentenachten van Palaestina!... Dan huiverden zijn verlangende zinnen naar de vrouw die hij niet eens leende en naar een meisje dat hij nooit had gezien. Hij, Godgewijde, was alle zoemend liefde-gefluister van wellustige vrouwen uit zijn stam of van zijn ras, stil •en schuw voorbij gegaan als onder de schaamte van een ontmande ... De meisjes van Judaea en Dan,... hij keek ze een telle in de droef-bewaasde of dartel-lonkende oogen en verschool zich achter bloeiende wijngaardranken of tusschen de hooge stokken. Hij bleef zich aan alle zwoele en smartelijke lusten ontwringen. De wijngaardeniersters, verliefd op zijn reuzengestalte, op zijn zwaaiende haarlokken en verlegene kinderoogen, zongen op de geblakerde hellingen, op de Palaestijnsche aarde, van liefde. Zij loerden heet-ademend en fel-begeerig achter de hel-roode,
■Simson.. g