123
lijdende alleenheid, met haar en d'avondster gesproken en al de verre, blauwe bergen van Palaestina met haar naam getooid. En in de eerste oogsten al van Mei, dwaalde hij naar Thimnatha, bevend, bang-begeerig. Hij herdacht in Sichema, de eerste vrouw voor wie zijn kuischheid was bezweken. Bloed-broederschap, — beproevingen voor zijn hartstocht-ziel, — had hij om harentwille, grommend met haar magen en vijandelijke krijgsknechten gesloten. Wat wist hij, aan-ge-lofte-gebondene, — als Naziraeër streng genot ontberende, — van vrouwen-arglist, liefde-leugen en liefde-verwilliging? Schuw en bang bleef hij het ver-leidelijk-vrouwelijke ontwijken, hij, wreker en geroepene ... Hij beminde de Groote Zee, de harsgeurige kreupelbosschen van het dal Zeboïm en het dal van Ben Hinnom, en al de Hoogten van het land der bergen, met hun zingende hemelvogelen. Hij droomde onder schaduwende moerbeziën en doorward-getakte vijgen, van de Machanaïm der vroegere Canaanieten en hij overzag in vervoeringen en visioenen, de opgestelde legerorden van Israël rondom den Tabernakel. Hij zag Dan, den banierdrager van het vierde kwartier aan de noordzijde, tusschen Naphtali en Lot's troetelkind Ascher, met al de toén-strijdbare mannen. Wat wist hij, onbesmette, van het raadselachtige sluip- en vlei-schepsel, de zondige, verlokkende, fijn-liegende en smeeklijk-teedere vrouw? Hij kende ravijn en disteldal en de hersens-doorstekende woestijnhitte en de roofdieren, en hij overmijmerde veelmaals de diepe