ZEVENDE HOOFDSTUK
I
Simson, tot in de ziel rauw gekorven, hunkerde naar d'eenzaamheid om er zijn verschrikte en worstelende gedachten te bergen. Woede en smart schroeiden zijn gekrenkte binnenste. Hij verachtte die vrouw in haar zwoel-valsch bed-verraad. Hij haatte bij vlagen alles om zich heen van tent en stad. Want Sichema, de Philistijnsche, had hij bemind en tot lid van zijn stam gemaakt. Hij had haar in zijn levensgemeenschap, in zijn Hebreeuwenbloed opgenomen; heel haar wezen in al zijn droomen en prophetieën gemengeld, wanneer hij in ontzag mompelde voor zichzelf: de aarde was wild en vormlooze duisternis dreef over de zeeën ... Hij had den eenen tijd op de vlakte van Saron, met haar zandheuvelen als gouden pagoden, purperen anemonen voor Sichema verzameld; den anderen tijd, tot in de verborgen en hachelijke spelonken en holen van het Sodom-gebergte bloemen voor haar geplukt, verdwaasd van liefde. Als een weemoedig sterveling had hij, van Engedi tot Ramatha, in dwepende en