i20
alleen helden met poensoen, speer en zwaard, — gij hebt mij, ontberende, gewantrouwd, bespied en overal achtervolgd, — maar gij zijt ook helden van den zinnenden geest....
Onverhoeds stentorisch, oerkrachtig donderde Sim-son's stem:
— Doch bij den eenigen God van Israël... ik zal u zingen het zegelied van Deborah:
Zoo moeten zij omkomen Al uwe vijanden, o Heere, Die hem liefhebben toch, Blinken als zon In stralende kracht.
— Leve de mannen van Gaza en Thimnatha!... gierden de dertig krijgers in choor, tegen Simson's vreemde, zingende geestverrukking in.
— Dat Dagon en Asthoreth heerschen!... gilde met woest brulgeluid de opperbruidsgeleider er bovenuit, terwijl de schuine zwaardhouw over zijn woest mom als een bloedstriem opgloeide.
Smartelijke ontgoocheling verdroefde Simson, nu Sichema's lichtzinnige trouweloosheid hem hier zoo rampspoedig was onthuld. Hij mompelde in versmachting binnensmonds een gebed tot El-Shadday, den Eeuwige, het hoogste wezen. Bedeesd weer klonk zijn stem en gering scheen zijn aanzijn, toen hij den krijgers liet verstaan dat hij het verraad zijner bezetene vrouw had doorzien, zonder aan kastijdingen te denken.