lig
ding, op uw ongeluksdag! En ge zult betalen zonder ver-ademinge, alle dertig wisselkleederen... alle dertig!... Getemd zijt gij, onschendbare Hebreeuwer!... Werp u op uw aangezicht!... Gij zult ons de feestgewaden schenken ... alle dertig ... man voor man!...
Simson glimlachte, doch in zijn verbleekt gelaat groefden zich huiveringwekkende trekken van wraak-woede. Hij beefde en zijn spotstem weende gesmoord toen hij zei:
— Gij rijkzinnige jonkers en bruidsgeleiders ... gij mannen van Aschdod en Askalon, van Gaza en Thim-natha... gij geweldige Philistijnen zijt geen looze tierders die mijn Heer der Heirscharen overkrijt, noch wekt gij Abraham uit zijnen slaap!... Zie, ik buig onder uwe hand... Gij hebt mijn wonderspreuk, mijn Chidoth opgelost... een raadsel dat mij zelf een zoet geheim was als de stem van Jehovah's engel!... Gij, fierder dan het vedervee, hebt het raadsel opgelost dat u zoo folterend door de zinnen speelde. Voor uw verheven breinen bleek deze spreuk een kindergrapje ... Gij kent uw bloed en vleesch, uw loon ... gij mannen van het reine oog... Gij zijt sluwer dan het eerste menschenpaar!...
— Wij lachen om uw boert, dwaze waterzwelger! Wij lachen om Simson, den geheimzinnigdoener,... om zijn Godsvolk uit Abraham's maagschap!...
Beheerscht, bijna zachtmoedig-schuchter nu, spotte Simson voort, terwijl hij sidderde:
— Gij mannen van Gaza en Thimnath, zijt niet