ii8
Aan Simson's mond ontscheurde kreunend een snik. De Hebreeuwer voelde zich duizelen over zijn volle lengte en zijn machtige handen grepen in krampwoede de lucht in.
— Die honden... die verachtelijke, stinkende honden!... stootte hij uit in steunende kreten.
Doch toen hij de oogen der gepantcierde mannen, de beukelaars neer, hei-schamper zag gloeien van wraak-bevrediging, ontstond er in zijn diepste wezen een bovenmenschelijk zelfbedwang. Simson richtte zich in zijn geweldige gedaante overeind als een jonge god, die door heel zijn lichaam een alles-verbrijzelende reuzenkracht voelt heengestuwd. Hij wist zich weer tuchtiger en bloedwreker van gekrenkt Israël, uit den stam Dan, den stam der leeuwenwelpen, gezegend door Bilha. Stil hief hij zijn trillende handen naar het heilige hemelgewelf. Plots drong hij heel het wild en gekrenkt geweld van zijn mannenwoede terug. Want hij gunde deze schimpende onbesnedenen geen zicht in zijn vreeselijk verdriet, in zijn schaamtelijke wroeging, al wist hij nu eerst dat liefdedrift was van God, het arme, martelende menschenhart als een pijniging ingeboord. Krijger voor krijger staarde hij ijzingwekkend in het strak-stomme gelaat en toen heesch, gromde hij:
— Verloren!...
Een brullende jubelklank van dertig stemmen tuimelde los:
— Verloren hebt gij Hebreeuwer, zoon der opstan